H1 Les 1 - Woordenlijst

Uitgever: Prisma Methode: Spaans voor Zelfstudie Niveau: B1 Leerjaar: N.v.t.
Spaans Nederlands
1 a naar/aan
2 ahora nu
3 al naar de
4 almorzar lunchen
5 amiga (la) vriendin
6 amigo (el) vriend
7 aquí hier
8 bien goed
9 bueno goed/welnu
10 casa (la) huis
11 centro (el) centrum
12 cerca dichtbij
13 ciudad (la) stad
14 clase (la) les
15 coche (el) auto
16 colegio (el) school
17 cómo hoe
18 cuándo wanneer
19 cuánto hoeveel
20 de van
21 de dónde waar vandaan
22 del van de
23 don/doña respectvolle aanspreektitel vóór de voornaam
24 dónde waar
25 el de/het
26 él hij
27 ella zij
28 ellos zij (mv)
29 en in
30 España (la) Spanje
31 español (el) het Spaans/de Spanjaard
32 española (la) (de) Spaanse
33 ésta/éste dit/deze
34 estar zijn/zich bevinden
35 estudiar studeren
36 familia (la) familie/gezin
37 fumar roken
38 gracias dank u/dankjewel
39 gustar houden van/fijn vinden/lekker vinden
40 hablar praten/spreken
41 hay er is/er zijn
42 hola hallo/hoi
43 Holanda (la) Nederland
44 holandés (el) het Nederlands/de Nederlander
45 holandesa (la) de Nederlandse
46 holandesa Nederlandse
47 igualmente insgelijks
48 inglés (el) het Engels/de Engelsman
49 ir (a) gaan (naar)
50 juego (el) spel
51 juntos samen
52 la (v enk) het/de
53 las (v mv) de/het
54 lejos ver
55 libro (el) broek
56 llamarse heten/zich noemen
57 los (m mv) de/het
58 marido (el) man/echtgenoot
59 mi mijn
60 mismo zelfde
61 mucho veel
62 mujer (la) vrouw/echtgenote
63 muy heel/erg/zeer
64 no nee
65 nombre (el) de voornaam
66 nosotros wij
67 ocasión gelegenheid
68 otro (een) ander/nog een
69 página (la) pagina/bladzijde
70 pero maar
71 próximo volgend/aanstaand
72 puerta (la) deur
73 qué wat
74 quién wie
75 recuerdos groeten/herrinneringen
76 saludos (los) groeten
77 señor (el) meneer
78 señora (la) mevrouw
79 señores (los) de heer en mevrouw
80 ser zijn
81 ser de komen uit/afkomstig zijn uit
82 si ja
83 su zijn/haar/uw/hun
84 suyo van hem/van haar/van u/van hen
85 también ook
86 tarde laat
87 tarde (la) (na)middag
88 trabajar werken
89 jij
90 un, unos (m) een/een paar
91 una, unas (v) een/een paar
92 usted u
93 vez (la) keer
94 vivir wonen/leven
95 vosotros jullie
96 y en
97 ya al
98 yo ik