H3 Weer en geografie

Uitgever: Boom Methode: Opmaat reeks Niveau: A2/B1 Leerjaar: N.v.t.
Thema 3 Weer en geografie NT2 B1
1 aandoen aantrekken (kleding)
2 aankomen arriveren
3 aanraden adviseren
4 aantrekken sterker / erger worden (de wind)
5 afkijken bij een examen de antwoorden van iemand anders proberen te lezen en te gebruiken
6 aflopen eindigen
7 afsluiten dichtdoen, zorgen dat iets dicht is
8 afzeggen zeggen dat iets niet doorgaat
9 aldus volgens
10 bewolkt een bewolkte lucht is een grijze lucht met veel wolken
11 behoren tot onderdeel zijn van
12 bibberen beven, rillen = heel snel bewegen, bijvoorbeeld bij kou of angst
13 blauw van de kou als je aan iemand kan zien dat hij het heel koud heeft
14 blazen met ronde lippen lucht hard uit je mond laten gaan
15 bliksem (de) het korte felle licht dat je in de lucht ziet als het onweert
16 botsen hard tegen iemand of iets aankomen
17 branden licht of warmte geven
18 deskundige (de) een expert, iemand die veel over een onderwerp weet
19 diverse verschillende
20 dooien als het dooit, wordt het na vorst warmer, zodat het ijs weer water wordt
21 droog niet nat, iets wat droog is, bevat geen of bijna geen vocht
22 dwarrelen langzaam en licht naar beneden vallen
23 echter maar, immers
24 enkel(e) een paar
25 fanatiek overdreven fel met iets bezig zijn
26 fris koel, een beetje koud
27 gaan liggen bijna verdwijnen (de wind)
28 gepaard gaan met samengaan met
29 gewone sterveling (de) de normale mens
30 glad op een glad vlak glijden dingen makkelijk
31 grijs iets wat grijs is, heeft de kleur van de hemel als het regent, tussen wit en zwart
32 heet heel warm
33 helder je kan er goed doorheen kijken, je kan het goed zien
34 herkansen nog een keer mogen doen omdat je de eerste keer geen succes had
35 herstel (het) de reparatie
36 hozen gieten, heel hard regenen
37 ijs (het) water dat hard is geworden omdat het kouder dan nul graden Celsius is
38 in ieder geval zeker
39 inmiddels intussen
40 KNMI (het) Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, het Nederlandse nationale weerstation
41 kwijtraken verliezen
42 markeren met een teken duidelijk maken waar iets is
43 miezeren motregenen, het regent heel zachtjes
44 nat niet droog
45 noordelijk halfrond (het) de noordelijke helft van de aarde, het gedeelte van de aarde ten noorden van de evenaar
46 omschrijven met woorden beschrijven
47 omslaan veranderen
48 omstandigheid (de) een feit dat invloed heeft op een situatie
49 onderbreken pauzeren, even stoppen met iets
50 ondergaan achter de horizon verdwijnen (de zon of de maan)
51 onthouden niet vergeten, in je hoofd bewaren
52 onweer (het) slecht weer met bliksem en donder
53 opblijven ’s avonds nog niet gaan slapen
54 opgaan gelden
55 opkomen omhoogkomen, zich laten zien
56 oplopen steeds meer worden
57 orkaan (de) een heel harde en gevaarlijke wind
58 overstroming (de) de situatie dat er te veel water uit zeeën en rivieren op het land is gekomen
59 paraplu (de) een voorwerp dat je boven je hoofd houdt om droog te blijven in de regen
60 parasol (de) een voorwerp boven je hoofd als bescherming tegen de zon
61 plaatselijk lokaal, op een bepaalde plaats, niet overal
62 plenzen heel hard regenen
63 razen heel snel en met veel lawaai voorbij komen (de wind, een auto)
64 regenachtig met veel regen
65 rekening houden met je gedrag aanpassen aan iets of iemand
66 route (de) de weg ergens heen
67 schaatsen met schaatsen (een schoen met een smal ijzer eronder) over ijs glijden
68 schijnen licht geven
69 schoonmaken zorgen dat iets niet vuil meer is
70 smelten vloeibaar worden
71 sneeuw (de) de koude witte vlokken die in de winter uit de lucht kunnen vallen
72 snikheet heel heet
73 spoor (het) de ijzeren banen waarover een trein rijdt
74 standvastig stabiel
75 stormen als het stormt, waait het heel hard
76 tak (de) een deel van een boom dat uit de stam of een andere tak groeit
77 te wachten staan waarschijnlijk gaan gebeuren
78 teisteren veel last veroorzaken
79 toertocht (de) een rit met een motorclub, fietsclub, skateclub of schaatsclub
80 trend (de) de tendens, de richting waarin zich iets ontwikkelt
81 uitgeven geld besteden
82 uitslapen ’s morgens lang blijven slapen
83 uitlaten een stukje wandelen met de hond om hem ergens te laten poepen
84 uitzoeken 1. kiezen, 2. sorteren, 3 door onderzoek bepalen
85 vallen hard en zonder het te willen omlaag gaan en op de grond komen
86 vastlopen in een moeilijke situatie komen en daardoor niet meer verder kunnen
87 vereisen beslist nodig hebben, eisen, vergen
88 vochtig vochtige dingen zijn een beetje nat
89 voorspellen zeggen wat er in de toekomst gaat gebeuren
90 vriezen als het vriest, is het kouder dan nul graden Celsius en verander water in ijs
91 waaien als het waait, beweegt de lucht buiten en voel je de wind
92 wisselvallig niet stabiel
93 woonboot (de) een boot die mensen als woning gebruiken
94 zelfs anders dan je zou denken; bovendien
95 zon (de) het grote object in de ruimte dat licht op de aarde laat schijnen en warmte geeft
96 zweten als je zweet, komt er vocht door je huid naar buiten
97 ANWB (de) Algemene Nederlandse WielrijdersBond, een Nederlandse organisatie voor weggebruikers en toeristen